Groenlandse verkiezingen

Smeltend Groenland nog aan Deens infuus
Trouw, 24 april 2018; Anne Grietje Franssen

Onder het smeltende ijs van Groenland liggen waardevolle grondstoffen. Die hoopt het land zelfstandig te ontginnen. Onafhankelijkheid is dan ook een groot thema bij de verkiezingen vandaag (24 april 2018).
Het vuur brandt in ons allemaal, sprak de Groenlandse premier Kim Kielsen vorige week, en dat vuur zal blijven branden. “Het verlangen naar onafhankelijkheid overstijgt de partijpolitiek, maar we moeten er wel klaar voor zijn.”

De vraag is: is Groenland dat wel?
Vandaag gaat de Groenlandse bevolking naar de stembus. Ze hebben dan misschien keus uit zeven verschillende partijen – de verkiezingsprogramma’s verschillen niet gek veel van elkaar. Bij zes van de zeven partijen ligt het zwaartepunt bij hetzelfde agendapunt: onafhankelijkheid van Denemarken.

Het zijn de twee huidige regeringspartijen – de sociaaldemocratische Siumut, tevens de partij van de premier, en de linksgeoriënteerde Inuit Atagatigiit (IA) – die ook nu voorop lopen in de peilingen. Ze hebben wat verschillende ideeën over sociale vraagstukken, over de herverdeling van visquota. Maar beide partijen zijn het over één ding eens: de toekomst van Groenland is een onafhankelijk Groenland. Alleen over de termijn waarop wordt nog gekibbeld.

Smeltend rijk
Een decennium geleden, toen de Groenlanders in een referendum voor meer autonomie kozen, zag het er veelbelovend uit. De opwarming van de aarde is nergens zo merkbaar als in Groenland, de temperatuur stijgt er twee keer sneller dan in de rest van de wereld en de ijskappen smelten zichtbaar. Waar klimaatverandering elders voor ellende zorgt, is Groenland er in potentie bij gebaat.

Want heilbotvissers hebben plots een welkome bijvangst van makreel en haring, schapenhouders zien kans om te experimenteren met tuinbouw. En bovenal: onder die laag ijs ligt een schat aan grondstoffen. Zink, uranium, ijzer, goud, olie. Op uitnodiging van de Groenlandse regering kwamen buitenlandse investeerders toegestroomd om te graven naar de toegankelijk geworden grondstoffen.
Maar tien jaar verder, liggen zowel mijn- als landbouw zo goed als stil. De visvangst bepaalt nog steeds de hoofdmoot van het bruto nationaal product. Waar is het fout gegaan?
Er zijn verscheidende projecten in gang gezet, vertelt politicoloog Maria Ackrén, verbonden aan de Universiteit van Groenland. “Chinese bedrijven houden hun ogen gericht op een ijzererts- en een zinkmijn, een Australische investeerder concentreert zich op mineralen in Zuid-Groenland.” Maar sinds de laatste paar jaar de grondstofprijzen fors gedaald zijn, zijn ook de mijnbouwprojecten tot een halt gebracht. Ackrén: “Het is wachten op investeerders, tot die tijd kunnen we niet veel.”
Wat betreft de landbouw: in het warmere zuiden van Groenland wordt er geëxperimenteerd met bijvoorbeeld aardappelteelt en kasgroenten. Er wordt gekeken of deze gewassen zich kunnen aanpassen aan het poolklimaat.
Maar volgens Ackrén verkeren ook deze projecten nog in een testfase. “Als de opwarming van de aarde doorzet“, zegt Ackrén, “vergroot dat zeker de kansen voor de cultivatie van het land“.

Toekomstdroom
Maar voorlopig hangt Groenland nog aan het financiële infuus van Denemarken, dat jaarlijks 3,4 miljard Deense kroon (ruim 450 miljoen euro) overmaakt. Het bedrag is goed voor ongeveer de helft van het Groenlandse nationale budget: de baten van de visvangst zijn lang niet toereikend om het land draaiende te houden. Groenland kampt bovendien nog altijd met hoge werkloosheidscijfers, ondermaats onderwijs en een breed spectrum aan sociale problematiek.
Dat roept de vraag op of de onafhankelijkheid van zo’n dunbevolkt (totaal inwonertal: 56.000) en uitgestrekt gebied, met zulke extreme fysisch-geografische omstandigheden, eigenlijk wel realistisch is.
Ackrén denkt niet dat het onmogelijk is, vooral gezien de onafhankelijkheidshonger van het volk, maar ze denkt de tijdspanne van een paar decennia, niet een decennium, realistischer is.
Elke vorm van ontwikkeling is nodig: efficiëntere visserij, mijnbouw, de groei van de private sector (Groenland kent vandaag de dag vooral staatsbedrijven, red.), meer toerisme, de uitbreiding van het infrastructurele netwerk.”
Want ook daar zijn de meeste partijen het over eens: onafhankelijkheid – ja, maar niet ten koste van de welvaart. Zoals de premier vorige week op de Groenlandse televisie sprak: “Eerst willen we onze jonge mensen aan een baan helpen, moeten we het onderwijs verbeteren en zullen we economische groei teweegbrengen.”

Deense subsidies nog niet afgebouwd
Groenland is een voormalig kolonie die sinds 1979 de status van autonoom gebied heeft binnen het Koninkrijk Denemarken. Bij het referendum van 2008 koos de bevolking – à 56.000 man – voor een voortschrijdende mate van zelfbestuur. Een jaar later was het zover: Kopenhagen overhandigde Groenland de zelfbeschikking over zijn natuurlijke grondstoffen. De Deense regering bleef voorlopig zaken als defensie, justitie en politie overzien.

Voor het dunbevolkte land in het Arctische gebied was het een stap richting het einddoel. Als we nu onze eigen minerale reserves kunnen ontginnen, was tien jaar geleden het idee, hebben we onze oud-kolonisator weldra niet meer nodig. De Deense subsidies, werd na het referendum besloten, zouden evenredig met de groei van de mijnindustrie kunnen worden afgebouwd. Maar met dat afbouwen is nog geen begin gemaakt.

581
Verkiezingsposters in Nuuk, de hoofdstad van Groenland. Alle partijen zijn voor onafhankelijkheid van Denemarken. © AFP

Arctic Peoples Alert:
Natuurlijk is Groenland er klaar voor om onafhankelijk van de staat Denemarken te zijn. Denemarken zegt sinds de landing van de verbannen Erik de Rode in 982 eigenaar te zijn van Groenland. In de discussie vergeten de Denen dat zij sinds 982 ook behoorlijk aan Groenland verdienen.

Book Review: Too Many People by Willem Rasing

mainlogo  JIM BELL August 09, 2017

Thirty-year study looks at the breakdown of Inuit customary rules and the rise of criminality and disorder
Willem Rasing’s Too Many People, published this past spring by Nunavut Arctic College, arrives at a timely moment: a year when the people of Nunavut and Nunavik find themselves suffering once more from the painful consequences of yet another rash of anti-social behaviour and lethal violence.

Since the beginning of May, Nunavut has suffered the death by homicide of an 11-year-old boy in Rankin Inlet, the death by homicide of a 51-year woman near Pond Inlet, the police shooting of a 39-year-old Hall Beach man who said on Facebook he wished to die via “suicide by cop,” and the stabbing death of a 30-year-old man in Gjoa Haven.
That’s from a period of only three months. It doesn’t include all the lesser mayhem: multiple property crimes, aggravated assaults, arsons, standoffs and weekly firearm scares.TooManyPeople-e1457704851200
There’s also the recent explosion of violence in neighbouring Nunavik, where this past June, a knife-wielding Akulivik youth was shot to death by police after he killed three people and wounded two others, and where in July, a 14-year-old girl in Inukjuak was beaten to death, producing nation-wide media headlines.
Where does all this disorder come from? Why does it emerge from a culture in which traits like modesty, non-interference and the willingness to share were essential tools for preserving harmony and ensuring group survival?
Rasing, an anthropologist based at Radboud University in the Netherlands, uses this book, which flows from 30 years of research, to answer those difficult questions. Though his work is confined to Igloolik, Rasing’s observations are likely applicable to numerous other eastern Arctic communities in which culture shock, colonialism and modernization have inflicted similar damage.
He describes how the customary methods of social control that helped the Iglulingmiut survive in small camps for generations, more or less harmoniously, began to disintegrate after the middle of the 1950s, when the Inuit who lived in camps stretching from Fury and Hecla Strait to the Melville Peninsula coast were concentrated into the artificial government-created communities of Igloolik and Hall Beach.
There, the old forms of maintaining social control began to collapse under the enormous weight of new rules and new laws brought by a colonizing federal government, especially after the mid-1980s, when the crime rate began to soar. Traditional camp leaders lost their prestige and a culture gap emerged between those raised in camps and those who went to government schools. Children stopped listening to their parents.
One of the worst developments was the emergence of large numbers of young people, especially young males, pursuing an aimless “thrill-seeking” lifestyle.
He attributes this to a “sequence of interrelated changes,” which include changes in the importance of hunting, religious divisions between Anglicans and Catholics, the trauma suffered by Catholic Iglulingmiut at the Chesterfield Inlet residential school, and the effect of “too many people” jammed together too quickly into one community.
Rasing also delves without fear into well-known examples of cultural conflict between Iglulingmiut and British-Canadian law that more politically sensitive observers might be too timid to confront.
That includes incomprehensible restrictions on hunting, such as the much-derided Migratory Birds Act, along with restrictions on hunting walrus and polar bear that all Igloolik hunters considered to be wrong “because they contravened their moral obligation to hunt.
But it was the application of Criminal Code laws intended to regulate marriage and sexual behavior that produced some of the most bitter controversies of the 1980s, when the crime rate in Igloolik and the rest of the eastern Arctic began to rise.
The strongest disagreement with the law involved specific sex laws, notably those that prohibit sexual intercourse with underage females. Iglulingmiut of both sexes and of all ages rejected these regulations,” Rasing said.
He cites the famous case of the three young men who pleaded guilty in 1984 to having sex with a 13-year-old girl—and did not know that what they did was against the law. When a territorial court judge took that into account when imposing a sentence of one week in jail followed by nine months of probation, a moral panic ensued, fueled by lurid stories in News North, the Edmonton Journal and the Ottawa Citizen.
He also cites the case of a mother whose 13-year-old daughter had sexual intercourse with two males, aged 16 and 21, both of whom were charged under the Criminal Code after social workers were informed. The mother got angry with the police.
She considered the girl old enough to decide for herself; when she was her daughter’s age, she had done the same. Then she left, slamming the door,” Rasing said.
Adding to the confusion, some types of behavior that seriously transgress important Iglulingmiut norms are not usually illegal under Canadian law, such as refusing to share food, lying, bragging or overly assertive behavior, Rasing said.
The differences between Iglulingmiut culture and Canadian laws have hampered the proper administration of criminal justice,” Rasing said.
He found that one consequence of modernization is an absence of community-wide values and norms: revealed by many different approaches to childrearing, attitudes to material possessions, the preferred language spoken at home, and the value of country food. All that diversity means there are few role models, if any. “There is no uniform, unequivocal standard for acquiring or measuring prestige,” he said.
Another phenomenon is “hidden crime,” such as widespread cannabis use by up to 75 per cent of the population. While that’s been illegal under the Criminal Code for years, many Iglulingmiut believe that using cannabis is harmless, especially compared with alcohol.
With so many people involved, very few are willing to inform the police about trafficking or possession, as my operational police files analysis confirmed,” Rasing said.
Other “hidden crime” includes domestic violence, some of which is related to residential school trauma, and worst of all, the long-hidden sex crimes committed by the former Oblate priest, Eric Dejaeger on the Roman Catholic side of the community.
At the same time, Rasing praises the resilience of Iglulingmiut, noting that although there are few full-time hunters, nearly everyone, including those who rarely go out on the land, identify with the hunting culture. He also acknowledges a long list of community-based Igloolik institutions created to strengthen and celebrate Inuit culture: the Isuma film company, Artcirq, the Igloolik Oral History Project, the Return of the Sun Festival, and the Rockin’ Walrus music festival.
To do his research, between 1986 and 2014 Rasing conducted extensive interviews with Igloolik Inuit, including elders like Noah Piugattuq, Rosie Iqallijuq, Francois Quassa and many others.
I visited households; played cards; joined weekly basketball games, teen dances and square dances; frequented the local coffee shop; attended services at the Pentecostal, Anglican and Catholic churches; participated in hunting and fishing trips; and tried to grasp Inuktitut, the Inuit language, as best I could,” Rasing wrote.
He consulted diaries, books, police reports, transcripts from proceedings at the Nunavut Court of Justice and historical documents, including the journals of William Parry and G.F. Lyon, two British naval commanders whose crews, in 1822, were the first Europeans to make contact with the people who lived in and around Igloolik Island.
Though it’s an academic publication, Too Many People is accessible to any reader with at least a Grade 10 level of English comprehension. He avoids theoretical and ideological jargon and uses an empirical approach in which his conclusions flow, without embellishment, from verifiable facts and data.
Rasing published the first version of this book in 1994, but updated it after visiting Igloolik at various times between 1999 and 2015.

You can order a copy from Amazon or from Fitzhenry and Whiteside Ltd.
And you can find other Nunavut Arctic College publications listed at this web page.

Willem Rasing
Too Many People: Contact, Disorder, Change in an Inuit Society, 1822-2015
Paperback: 568 pages
ISBN-10: 1897568401
ISBN-13: 978-1897568408
$32.95, published by Nunavut Arctic College.

Too Many People: Contact, Disorder, Change in an Inuit Society, 1822–2015 examines the history of contact between the outside world and a group of Inuit, the Iglulingmiut, living in Canada’s Eastern Arctic. The nature of these encounters and their impact is described and analyzed from 1822 to 2015. Seeking to understand how order was brought about and maintained during this period of nearly two centuries, the ongoing historical narrative that evolves displays a pattern of interconnected social, economic, political, cognitive, and volitional changes in Iglulingmiut society.
This volume includes a foreword by George Wenzel, author of Animal Rights, Human Rights: Ecology, Economy, and Ideology in the Canadian Arctic.

Willem Rasing is a social studies and philosophy teacher and an associated researcher with the Department of Religious Studies, Theology, and Philosophy, Radboud University Nijmegen (The Netherlands). He is also a member of the Dutch research group Circumpolar Cultures. Willem’s research for Too Many People has helped establish the Igloolik Oral History Project as the leading archive of Inuit traditional knowledge and oral history.

Alaska 150 jaar

Infomatie bij de Arctica Kalender 2017

Alaska_Purchase_(hi-res).jpgAlaska 150 jaar
De Arctica kalender 2017 gaat over Alaska, de mensen die daar wonen en de tussen hen gecreëerde grenzen. Net als in 2014 heeft fotograaf Jeroen Toirkens van nomadslife.nl hiervoor belangeloos zijn foto’s ter beschikking gesteld.
Aan het einde van de internationale datumgrens, in het uiterste westen van Alaska, middenin de Beringstraat ligt het eilandje Inaliq, de Inupiat naam voor Little Diomede. Aan de overkant van de grens met de Russische Federatie, 4 kilometer verderop ligt het grotere Imaqłiq (Big Diomede).

150 jaar geleden behoorde ook Inaliq tot Rusland. Echter, op 30 maart 1867 kochten de Verenigde Staten van Amerika Alaska voor slechts US$ 7.200.072 (nu ongeveer US$ 120 miljoen), omdat Rusland dacht dat het land weinig waard was. Naar de volken die al in Alaska woonden werd niet gekeken. De formele soevereiniteits­overdracht vond op 18 oktober 1867 plaats, een datum die sindsdien “gevierd” wordt als Alaska Day.
Inupiatfamilies (Inuit – In Nederland nog veel te vaak eskimo’s genoemd) konden vrijelijk reizen, totdat in 1948 de grens werd gesloten en de laatste families van Imaqłiq verplaatst werden naar het Russische vasteland. Het ijsgordijn was een feit. Eerst in 1989, tijdens een Russisch-Amerikaanse expeditie met hondensledes langs de Russische kust, kon het contact met familie worden hersteld. Echter, contact onderhouden blijft moeizaam. In 2017 zullen bewoners van Inaliq proberen Imaqłiq te bezoeken.

Naamsverandering
Na een oproep van de Inuit Circumpolar Council worden, zowel in Canada en Alaska, steeds meer westerse geografische namen vervangen door de oorspronkelijke Inuit-namen. Eerder gebeurde dit al op Groenland, waar de Deense aardrijkskundige namen zijn vervangen, die trouwens eerder de Nederlandse namen hadden vervangen. Zo stemde in Barrow op 4 oktober 2016 een kleine meerderheid, 381 stemmen voor en 375 tegen, voor de wijziging van de naam in Utqiagvik (oot-GHAR-vik). Het is niet duidelijk wat Utqiagvik betekent. Sommigen zeggen een plek waar sneeuw uilen worden gejaagd, anderen een plek waar je aardappelen verzameld, hoewel aardappelen hier niet groeien (waarschijnlijk waren aardappelen daar te koop).

Arctic Peoples Alert maakt naast de kalender vooral gebruik van digitale media: http://www.arctica.nl en Facebook. Wilt u onze elektronische nieuwsbrief Poolkoorts ontvangen, stuurt u dan een email aan: arctica@planet.nl o.v.v. Poolkoorts.

Borealis project
Fotograaf Jeroen Toirkens is samen met journalist Jelle Brandt Corstius een nieuw project gestart. Kijk voor meer informatie op: borealisproject.nl

t/m 29.04.2016 – Mythen in IJs – Lunteren

https://arcticpeoplesalertblog.files.wordpress.com/2016/01/62440-plaatjeb_groot.jpg?w=548&h=415

Expositie Inuit Art: Mythen in IJs
30 januari t/m 29 april 2016
Museum Oud Lunteren, Dorpsstraat 55, 6741 AB Lunteren
T. 0318 486 254 –
Open di t/m za, 13:30 tot 16:30 uur.
oudlunteren.nl

Opening expositie Mythen in IJs: 29 januari 2016, 16.30 uur
Partycentrum Floor, Dorpsstraat 36, 6741 AL Lunteren.
Sprekers: Peter Kuipers Munneke, poolonderzoeker en meteoroloog en Cunera Buijs, cultureel antropoloog en conservator van het Museum voor Volkenkunde in Leiden.

In samenwerking met Canuit organiseert Museum Oud Lunteren de expositie Inuit Art, Mythen in IJs. De hedendaagse kunst van de Inuit uit Canada (voorheen: eskimo’s) is fris en modern, weet galeriehouder en gepassioneerd collectioneur Karel Stevens. Hij verzamelt en verkoopt al 25 jaar authentieke kunst van rond de Noordpool, zoals hij het zelf noemt. Van grote, gedetailleerde sculpturen tot fijne, gedetailleerde beeldhouw-werkjes. Afgewisseld met intrigerende, mysterieuze transformaties van mens en dier. Gemaakt in prachtige tinten serpentijn (groen en bruin) en speksteen (van wit tot grijs en groen). De beelden worden gecomplementeerd door kleurrijk en krachtig grafisch werk.
De directe reflectie van cultuur én natuur uit het poolgebied is een van de aspecten die deze kunst zo aantrekkelijk maakt. Daarnaast de eenvoud, het haast primitieve van de sculpturen. Ook bijzonder is dat deze kunstvorm amper 60 jaar oud is. Pikant is verder de mengvorm van traditionele Inuit-kunst met moderne kunst. “Jonge, alweer derde-generatiekunstenaars tonen in hun werk respect voor hun eigen cultuur. Laten daarin de roots en trots zien”, verklaart Stevens.
Op de tentoonstelling valt het materiaalgebruik op. Canada veel meer steen, Groenland meer gewei. Ook de thematiek is anders. Canada veel dieren, jachtscènes en transformaties. Groenland meer tupilaks of wraakbeeldjes. Canada grafisch georiënteerd, Groenland aanzienlijk minder.

 

Farley Mowat 1921 – 2014

In memoriam
Mowat Cartoon  148327_600Farley Mowat
1921 – 2014

Op 6 mei 2014 overleed op 92 jarige leeftijd de Schotse rebel, schrijver en activist Farley McGill Mowat thuis in zijn woonplaats Port Hope, Ontario, Canada. Hij werd op 12 mei 1921 in Belleville geboren.

Deze vroege klokkenluider over de situatie van de inheemse Arctische volken en de vernietiging van natuur en milieu was tot het laatst activist. Hij laat meer dan 40 boeken achter, waarvan ongeveer 17 miljoen exemplaren zijn verkocht en die in meer dan 20 talen zijn vertaald. Hij ontving vele prijzen, zoals in 1981 de Order of Canada. Hij was van 1993 tot 1998 lid van het Comité van Aanbeveling van de Stichting Innu Steungroep (thans Arctic Peoples Alert).
Zijn overlijden heeft de Nederlandse media gehaald, ofschoon hij in Nederland niet zo bekend is. Slechts drie van zijn boeken zijn in het Nederlands vertaald en verfilmingen ervan hebben maar kort in de Nederlandse bioscopen gedraaid.

farleyWW21945 Amstel
Mowat was een van onze bevrijders. In februari 1941 trad Mowat in dienst van het Hastings and Prince Edward Regiment van het Canadese leger. In juli 1942, tijdens de vaart over de Atlantische Oceaan, werd onderweg een walvis voor een duikboot aangezien. Inmiddels inlichtingenofficier, nam hij in juli 1943 deel aan de landing op Sicilië gevolgd door de opmars door Italië. Als een van de weinigen van zijn regiment overleefde hij deze tocht. Half april 1945 werd hij verbindingsofficier tussen de Nederlandsche Binnenlandse Strijdkrachten in bezet Amsterdam. Achter de linies had hij een spannende tijd en hield hij zich bezig met de organisatie van  voedseldroppings. Op 7 mei, vijf dagen voordat hij vierentwintig werd, gaven de Duitse bezetters zich over. Zijn taak werd om Duitse bewapenings-systemen te onderzoeken en te verzamelen. Alles wat hij met zijn 1st Canadian Army Museum Collection Team, gekscherend wel “Mowat’s Private Army” genoemd, vond, werd in een voormalige Duitse barak in Ouderkerk aan de Amstel opgeslagen. Daaronder bevonden zich tanks, twee V1’s en, met behulp van 30 liter De Kuyper jenever, zelfs een V2 raket. Bij het testen van een Duitse eenpersoonsduikboot kwam hij in de modder van de Amstel vast te zitten en werd het spannend of hij nog wel boven zou komen.
Vanuit Antwerpen kon Mowat het Nederlandse schip SS Blommersdiik onder schipper Van Zwol maar een klein deel van het verzamelde materiaal meenemen naar Montreal. Daarmee legde hij de basis voor het Canadese Oorlogsmuseum. In het voorjaar van 1953 maakte hij samen met zijn vrouw zijn tocht door Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog nog eens dunnetjes over. Over zijn
oorlogservaringen schreef hij onder andere in The Regiment (1955), And No Birds Sang (1987) en Aftermath (1995).

Ihalmiut
Terug in Canada kon Mowat niet direct zijn draai vinden. Nu zou de diagnose waarschijnlijk zijn: post-traumatische stress-stoornis. Als veteraan kon hij alsnog versneld afstuderen en werd bioloog in dienst van de Northwest Territories. Voor de oorlog was hij al vertrouwd geraakt met reizen in het Canadese Noordpoolgebied. Tijdens zijn onderzoek naar de verdwijning van kariboes, constateerde hij dat de Inuit dat aan de Hudson Bay woont, de Ihalmiut, met uitsterven werden bedreigd. Bij de Canadese regering kreeg Mowat geen gehoor. In zijn boek People of the Deer (1952), dat ook in het Nederlands is als ‘Het Rendiervolk’ (1972) vertaald werd, vertelde hij het verhaal van de Ihalmiut dat zeer sceptisch en ontkennend werd ontvangen. Ook volgde ontslag. Zijn tweede boek Desperate People (1959) volgde, maar het mocht niet baten: de Ihalmiut zijn er niet meer. Over zijn onderzoekservaringen naar de wolf die de schuld kreeg van de afname van het aantal kariboes, vertelde hij in het boek Never Cry Wolf (1963), dat in het Nederlands vertaalt werd als ‘Wee de Wolf’ (1968/1984) en in 1983 werd verfilmd. Een must voor beginnende onderzoekers in het Noordpoolgebied. Ook over dit boek werd Mowat tot voor kort nog aangevallen en ondervond hij levenslang tegenwerking. Lost in the barrens (1958) werd vertaald onder de titel ‘Wolven huilen in de sneeuw’ (1965). In 2003 werd ook zijn boek The Snow Walker verfilmd en deze film was in de Nederlandse bioscoop te zien.

Mowat Boek S 00052396-01Siberië 
Verschillende van Mowat’s boeken zijn ook in het Russisch vertaald. Nadat hij net het Canadese Noordpoolgebied bereisd had, reisden hij en zijn vrouw in 1966 als een van de eersten door het Russische Noordpool-gebied. Hun gids was de Tsjoekstjie Juri Rytchëu, waarvan overigens verschillende boeken in het Nederlands zijn vertaald. Deze reis leidde tot het boek Siber (1970) dat in het Nederlands verscheen onder de titel ‘Siberië’ (1973). Terugkijkend is het juist dit boek dat een gekleurd beeld geeft, omdat Mowat van de inheemse Arctische volken in de toenmalige Sovjet-Unie afzette tegen de situatie in Canada.

Noormannen 
Tijdens zijn reizen door het Canadese Noordpoolgebied kwam Mowat resten van bouwwerken tegen die onmogelijk door Inuit konden zijn gemaakt. Archeologische vondsten hadden inmiddels de Noorse en Groenlandse sagen bevestigd dat Noormannen zich in Noord-Canada gevestigd hadden rond het jaar 1000. Maar de bouwwerken waren
duidelijk geen overblijfselen van Vikingactiviteiten. Voor die tijd waren er
mensen over zee verdreven door bijvoorbeeld Romeinen en Pikten. Aannemelijk is dan ook dat andere volken in het Canadese Noordpool-gebied terecht waren gekomen. Over de periode vóór de Noormannen schreef Mowat een aantal fascinerende boeken met vragen en vermoedens waarop wellicht ooit een antwoord komt: Westviking (1965) en The Alban Quest (The Farfarers, 1998).

Mowat Boek S mk_KEthZy856gvSby1MnfogVS en zeehonden
Mowat was een van de eersten die protesteerden tegen de Canadese zeehondenjacht. Dat bracht hem in 1968 ook even in Amsterdam. In april 1985 wilde Mowat zijn nieuwe boek Sea of Slaughter, over de jacht op zeehonden en walvissen, in de Verenigde Staten promoten. Het was niet zijn “rok” zijn Schotse kilt waarom Mowat op de luchthaven van Toronto door de immigratie-autoriteiten van de VS werd medegedeeld dat hem de toegang tot de VS werd geweigerd. Waarom wel, werd niet duidelijk gemaakt. Buiten Mowat om buitelden een maand lang autoriteiten en media over elkaar. Het leverde een hilarisch maar triest verhaal op: My discovery of America (1985). De VS hadden vele redenen om deze ‘gevaarlijke’ schrijver te weigeren. Zo demonstreerde hij in 1961 tegen de Cubacrisis, in 1963 voor nucleaire ontwapening, reisde door Sovjet-Unie en riep hij: “als die nucleair geladen VS-bommenwerpers over mijn huis vliegen, schiet ik ze met mijn geweer neer”.
Mowat 2Het schip van Sea Shepherd, dat onder Nederlandse vlag vaart en door Canada in beslag werd genomen, draagt zijn naam.
Hij laat zijn tweede vrouw, schrijfster Claire Mowat achter, waarmee hij in 1965 trouwde en twee zoons uit zijn eerste huwelijk, Sandy en David.
Video: http://www.theglobeandmail.com/arts/arts-video/video-in-his-own-words-life-and-times-of-farley-mowat/article18515505/?videoembed=true“>In his own words: The life and times of Farley Mowat, Globe and Mail 7 mei 2014.
*Tekening: cagle.com Steve Nease, 11 mei 2014.

Finn Lynge 1933 – 2014

In memorial

Finn Lynge
22 april 1933 Nuuk – 4 april 2014 Qaqortoq

Finn Lynge 2008 04 20 Narsaq HPIM0714Finn Lynge passed away in the South of Greenland aged eighty. We not only lost an extraordinary man. He was an exceptional Greenlandic world citizen, advocate for the environment and the indigenous rights and a man who saw the big picture.
He visited the Netherlands many times to participate in sessions of the International Court of Justice in The Hague, the Inter-national Whaling Commission, to give lectures, and in the last years in relation to the Earth Charter in which he actively participated. He tried to get other Greenlanders involved in the Earth Charter and brought in Narsaq Agenda 21 in practice.
He made the Greenlandic government aware of the exhibition of human remains in the West-Frisian Museum in Hoorn, The Netherlands which claimed these belong to a Greenlander. Do to investigation by the Greenlandic government it became clear that the remains are not from a Greenlander.
Since we met in Echternach, Luxembourg, in the nineteen eighties, he has learned me a lot. We often discussed the developments around the so called seal issue. The last years he got tired fighting against the import ban on skins of seals (now even a ban on all products of seals). This ban has enormous impact on Inuit in the Arctic who depend on the hunt on seals. But in the EU there is little understanding. Everyone who fights for animal rights should read his book Arctic Wars, Animal Rights, Endangered Peoples (1992).
Finn was a teller of many anecdotes. Once a friend and I met him in the streets of Helsingør and visited him. Finn showed my friend his bone of a walrus penis. My friend earned one point by recognizing this. After that came an auditory ossicle of a whale. Another point. Then came a hair of a mammoth …
Then there was the repeated anecdote about kasuutta (cheers) and op je gezondheid (to your health), which are pronounced in a similar way, which is perhaps explained by the Dutch roots of whalers and traders visiting the west coast of Greenland in the seventeen century before priest Hans Egede landed near Nuuk on a “Dutch” vessel in 1721.
Besides The Hague and Brussels we met mostly in København, the last time in 2010 during the presentation of a new book. In 2008, when he became 75, I was present at his symposium in Narsaq. From there, he went to København and we travelled together, but no place to sit together. So during the whole flight from Narsarssuaq to Kastrup we stood in the isle in the middle of the plane discussing as Finn wrote: “our common efforts to understand our own time”.
I will miss his inspiring talks and hope that his legacy will live on. I wish a great deal of strength to Rie, family, friends and the Greenlandic community.
Govert de Groot, Arctic Peoples Alert